Posted by on 17 november 2016

Ze is al jaren dood, maar ze helpt me nog elke keer als ik een verhaal tik: mijn oma. Dankzij haar kan ik schrijven. En jij ook.

Er waren altijd bokkenpootjes bij de thee. Tussen de middag was er zelfgemaakte soep. Maar wat ik me vooral herinner van de zondagse bezoekjes aan mijn oma, is hoe iedereen rond de tafel zat en verhalen vertelde.

‘Hoe is het, kind?’

‘Goed hoor oma. Moet je horen…’

Misschien is het daarom dat, goed en wel op de Academie voor de Journalistiek, de raad van één van mijn docenten in vruchtbare grond viel.

We leerden stukjes schrijven voor de krant, en dat was knap lastig.

Elk bericht moest antwoord geven op zes vragen, was ons voorgehouden. Wie, wat, waar, wanneer, waarom en hoe. Of we dat maar even voor elkaar wilden boksen. Dit, hier op het krijtbord, zijn de feiten. En daar, in het trappenhuis van de school, staan de typmachines – zie maar dat je er één bemachtigt die het doet. Over een kwartier terug in het lokaal, met een bericht dat zó de krant in kan, alsjeblieft dankjewel.

Nou, waar wacht je nog op? Je hebt een deadline. Rennen!

Het resultaat was aanvankelijk niet om over naar huis te schrijven.

  • Waarom zette ik het nieuws achteraan? Wist ik niet dat ik voor de regionále krant moest schrijven? 
  • Wat deden al die bijvoeglijk naamwoorden in mijn tekst? En die tangconstructies? Dacht ik soms dat ik zat te werken aan Mijn Grote Roman?
  • Waarom had ik klakkeloos ‘Lindenlaan’ overgenomen van het krijtbord? Had ik die naam niet gecontroleerd? Wist ik niet dat het ‘Lindengracht’ moest zijn? Ja, dat was een instinker, en nee, dat was niet flauw. ‘Zo gaat het in het echt ook.’
  • Er zat een typfout in mijn bericht!!! (‘Ik had haast.’ ‘Wat heeft de krantenlezer daarmee te maken?’)
  • En trouwens, waar was ‘hoe’ gebleven? (‘Maar ik mocht maar 50 woorden!’ ‘Dan formuleer je maar bondiger.’)

Ik vond het, kortom, behoorlijk ingewikkeld, dat journalistje-zijn. Totdat, na het zoveelste afgekeurde eenkolommertje, docent Kees Haak met de gouden tip kwam: ‘Vertel het zoals je het aan je oma vertelt.’

Vanaf dat moment kon ik schrijven.

‘Hoe is het, kind?’

‘Goed hoor oma. Moet je horen…’

‘Wat is er?’

‘Ik zag hier om de hoek een ongeluk. Er zijn twee gewonden.’ (wat? waar?)

‘Nee toch! Wanneer dan?’

‘Vanochtend om 9 uur.’ (wanneer?)

‘Ken ik die mensen?’

‘Weet ik niet. Het waren een jongen van 16, op een brommer, en een meisje van 14, dat op de fiets zat.’ (wie?)

‘Maar hoe kon dat gebeuren?’

‘Die jongen reed te snel. En doordat het mistig was, zag hij dat meisje niet op tijd. Hij botste met zijn brommer tegen haar op.’ (waarom? hoe?)

‘Kind toch.’

Ik gun iedereen zo’n oma.

Want ze helpt me niet alleen om altijd de 5 w’s en de h in het snotje te houden. Ze zorgt er ook voor dat ik mijn artikelen logisch opbouw.

Ga maar na: je vertelt een spannend verhaal toch niet achterstevoren?

‘Oma, het was vanochtend mistig.’

‘Ik heb het gezien, ja.’

‘Dat kan best gevaarlijk zijn.’

‘Ja natuurlijk, kind. Hier, neem een bokkenpootje. Wil je nog thee? Hoe gaat het op school?’

Inderdaad, zo slaat zo’n verhaal hartstikke dood.

Mijn oma dus. Man, wat heeft ze me op het rechte pad gehouden. En nog. Want al maak ik al lang geen politieberichten meer, en al is een nieuwsverhaal iets anders dan een reportage, deze basisprincipes van journalistiek schrijven pas ik 30 jaar later nog elke dag toe.

1. Voorkom dat een artikel vragen oproept

Beantwoord daarom altijd de 6 belangrijkste vragen: wie, wat waar, wanneer, waarom en hoe. Ook wel bekend als de 5 w’s en de h.

2. Begin je verhaal met de belangrijkste informatie

Bouw je artikel op als een piramide. De eerste alinea bevat het belangrijkste nieuws. Oftewel: wat is het eerste dat ik oma vertel? Hoe betrek ik haar meteen bij mijn verhaal?

De tweede alinea beschrijft de feiten die daarná het grootste belang hebben (wat zou oma nú vragen?). Enzovoorts.

Er is een goede reden voor om je artikel op deze manier op te bouwen. Die stamt uit de wereld van de papieren krant. Als een bericht niet op de pagina past, kan de eindredacteur snel en ongestraft de laatste alinea wegsnijden. Geen lezer mist dan essentiële informatie, want die staat al aan het begin. Dat heet oprolbaar schrijven.

Inmiddels verwáchten lezers dat je nieuwsberichten volgens deze methode schrijft – zelfs online, waar inkorten niet aan de orde is. De piramide is onze natuurlijke manier van lezen geworden.

Tot slot.

Mijn oma is nogal kameleontisch.

Ze verandert mee met elk medium waarvoor ik schrijf.

  • Op mijn blog is ze een contentmaker (en erop uit om beter te gaan schrijven).
  • In het relatiemagazine van het Rode Kruis is ze een donateur (en wil ze een hoopvolle boodschap horen).
  • In het Advocatenblad is ze een advocaat (en verwacht ze haar eigen jargon).
  • In de beleidsrapportage is ze een bestuurder (en heeft ze behoefte aan diepgang).
  • In de regionale krant is ze… gewoon mijn oma (doe maar normaal, kind, dan snap ik je tenminste).

Met andere woorden: mijn oma is mijn ijkpersoon (zoals dat in de journalistiek heet) of mijn persona (zoals marketeers het noemen). Ze is de vooruitgeschoven post van de doelgroep waarvoor ik op zeker moment schrijf. Ze is wie ik altijd voor me zie als ik lastige vragen stel. Ze is om wie mijn werk draait.

Ik geloof niet dat ik haar dit alles ooit heb verteld. Kon ik dat maar alsnog doen.

‘Hoe is het, kind?’

‘Goed hoor oma. Moet je horen…’

Wil je ook zo’n oma?

Volg de workshop