Posted by on 16 mei 2017

Als er één boek is dat je leert om gericht te schrijven, dan is het wel Stijloefeningen van Raymond Queneau. Een niemendalletje? Een klassieker!

Er zijn van die boeken die je nooit meer wegdoet. Stijloefeningen van Raymond Queneau is er zo één, wat mij betreft. Heel veel stelt het niet voor, lijkt het. Het is een klein boekje waarin de schrijver op 99 manieren dezelfde gebeurtenis vertelt.

Het gaat om een volstrekt onbelangrijk voorval in een overvolle tram. De verteller ziet hoe een modieuze jongeman zich kwaad maakt omdat er iemand op zijn tenen trapt. Later die dag ziet de verteller deze figuur op straat, waar een vriend hem aanraadt om een extra knoop aan zijn jas te zetten.

C’est ça. En dat 99 keer. Ik zeg: geniaal.

Queneau publiceerde zijn Exercises de Style in 1947. Het is in 1978 naar het Nederlands omgezet door Rudy Kousbroek. In zijn voorwoord uit Kousbroek, zelf toch ook niet een van de minsten onder de schrijvers, zijn tomeloze bewondering voor Queneau. En terecht.

Ik haalde het boek weer eens tevoorschijn toen ik van de week één van mijn workshops voorbereidde. Ik wil het hebben over het ontwikkelen van een eigen schrijfstijl en bedacht me dat Stijloefeningen wel eens een eyeopener kan zijn voor mijn studenten. Het werd een eyeopener voor mezelf. Opeens ontdekte ik er allerlei diepere lagen in.

Ik ben altijd dol geweest op het boek.

Ik kocht het na mijn studie journalistiek. Ik was een inmiddels paar jaar aan het werk, had de basis van het vak wel zo’n beetje onder de knie en voelde behoefte aan verfijning.

Het feitelijke nieuws dat ik in de krant zette, moest natuurlijk zo neutraal mogelijk blijven. Maar in alle andere genres die ik gebruikte, mocht ik langzamerhand wel wat meer variatie tentoonspreiden. Ik had een vaag idee van wat er allemaal kon, en hoe dat moest. Het werd tijd om daar handjes en voetjes aan te geven. Te experimenteren. Keuzes te maken. En Queneau ging me helpen.

Nu ik Stijloefeningen weer eens doorblader, zie ik dat het veel meer biedt dan een waaier aan schrijfstijlen.

In feite legt Queneau zo’n beetje alles op tafel waar het bij schrijven op aan komt. De betrouwbaarheid van je bronnen, de informatie die je selecteert, de invalshoek die je kiest, de doelgroep waarvoor je schrijft, de stem waarmee je je boodschap overbrengt.

Zélfs de inmiddels zo actuele vraag ‘wat is waarheid’ zit erin. Lees die 99 varianten van dat ene voorval en je vraagt je af: welke versie klopt er nou? Want in al die verhaaltjes zie je dezelfde reeks gebeurtenissen voorbijkomen, maar hier en daar worden feitjes weggelaten, toegevoegd of ingekleurd. Wat de oerversie is, blijft in het midden.

Stel je een gids met hondenrassen voor, zoals Rudy Kousbroek doet. Teckels, dobermanns, schapendoezen: er komen wel meer dan 99 hondenrassen aan bod. De lezer begrijpt best dat die stuk voor stuk afstammen van een soort ‘oerhond’. Maar hoe die oerhond er nou uitzag?

Enfin. ‘Ter lering ende vermaeck’ een paar manieren waarop Queneau de jongeman introduceert.

 

Hoe de indruk te beschrijven die de aanblik op je maakt van een menselijk wezen met een wanstaltig lange hals en een hoed waarvan het lint is vervangen, waarom dat weet geen mens, door een eindje touw?

 

Helemaal te gek, sta ik in de tram, weet je wel, zie ik een kerel, helemaal te gek, met zó’n nek, te gek, je weet niet wat je ziet, heeft-ie ook nog zo’n maffe hoed op z’n kop, met zo’n touwtje d’r om, weet je wel, helemaal te gek.

 

Bij iedere halte lieten de bewegingen van de gaande en komende passagiers niet na een zeker gedrang te veroorzaken, hetgeen aan een van deze passagiers protesten ontlokte, die overigens niet zonder schroom naar voren werden gebracht.

 

Het leek wel of alles nevelig en zilverig was om me heen, met allerlei wazige verschijningen, waartussen zich niettemin vrij duidelijk die ene gestalte aftekende van een jongeman wiens te lange hals op zichzelf al zijn slappe en verongelijkte karakter leek aan te kondigen.

 

Weldra ontdekte ik de haar in onze soep: een jongeman van een jaar of twintig met een klein hoofdje bovenop een lange nek; een grote hoed op dat kleine hoofdje en een klein koket vlechtje om die grote hoed.

 

Er hoeft maar een dom hoofd, bovenop een lange hals geplaatst en gesierd door een gedrochtelijke hoed, in woede te ontsteken of er is ruzie.

 

Wil je meer tips voor goede content?

Scherp je zintuigen (en word je lezers lijfblad)Weg met de schrijfkrampDe ultieme tip voor zakelijk bloggenalle blogs over journalistiek voor contentmakers

 

 

 

 

Delen? Graag!