Posted by on 1 juli 2016

Wees uniek! Wees menselijk! Wees jezelf! Wees persoonlijk! Wees authentiek! En dat allemaal verwoord in blogs waarvan er dertien in een dozijn gaan. Ze komen me de neus uit. Ze zetten me ook aan het denken: waarom is het zo moeilijk om een eigen schrijfstijl te ontwikkelen? En hoe doe ík dat eigenlijk?

‘Ik herken jouw schrijfstijl uit duizenden’, zei laatst iemand tegen me. ‘Jij bent brutaal met een knipoog.’

We hadden het over blogs. Of eigenlijk: over jezelf in de markt zetten. En wat daar allemaal voor nodig is. Of niet. Want de keuze is reuze:

  • blogs dus
  • sociale media (het worden er steeds meer)
  • online nieuws
  • whitepapers
  • e-books
  • webinars
  • vlogs

En ga zo maar door.

Een organisatie die zichzelf kent, en haar doelgroep, weet waar ze moet zijn, en ook: waar niet. Alle andere zijn overal (onder het motto ‘niet geschoten is altijd mis’) of nergens (omdat ze het slagveld niet overzien). In beide gevallen zijn ze bang om te kiezen, want kiezen voor het ene betekent ook: niét kiezen voor het andere. En dat zou eens klanten kosten.

Zo is het ook met de toon die je aanslaat in je teksten. Ik zie veel te veel brave teksten voorbijkomen. Teksten die keurig voldoen aan de regels. Spelling, grammatica, tussenkoppen, SEO: allemaal aandacht aan besteed. Onderwerp: idem dito (dat ligt lekker in de markt).

Maar echt, zélfs blogs die gaan over het ontwikkelen van een eigen stem hebben vaak een hoog geeuw-gehalte. Ze spelen op safe.

Ik ben een groot fan van authentieke stemmen. Ze dragen bij aan je autoriteit.

Maar blijkbaar is het moeilijk om een eigen handschrift te ontwikkelen.

Trouwens, het kan ook niet altijd even nadrukkelijk. Een blog is bijvoorbeeld iets heel anders dan een nieuwsartikel. Als ik mijn stukken voor de krant zo zou schrijven als mijn blogs, dan zou mijn eindredacteur met zijn vinger tegen zijn voorhoofd tikken. ‘Ben jij van het padje geraakt, Weijers?’ (Bij de krant doen ze niet aan voornamen.)

En toch herkennen ook krantenlezers mijn schrijfstijl. Kijk, ik ben geen Sylvia Witteman hè. Maar staat in de zaterdagbijlage een informatieve pagina over (ik noem maar wat) het recht op een eigen advocaat bij je rechtsbijstandsverzekering, dan hoor ik nóg terug: ‘Een typisch Jolenta-verhaal.’

Als professional ben ik dan natuurlijk nieuwsgierig waar ‘m dat in zit. Dus vraag ik ernaar in mijn vriendenkring. Maar lezers weten er meestal geen echt antwoord op te geven. ‘Gewoon. Ik herken jou erin.’

Collega-journalisten kunnen er wél de vinger op leggen.

‘Jij bent een verhalenverteller’, hoor ik vooral. Meestal is dat positief bedoeld. De boodschap is: jij gooit geen dorre feiten achter elkaar; jij schrijft voor mensen.

Een collega die minder gecharmeerd was van mijn schrijfstijl, voegde mij eens toe: ‘Er schuilt een onderwijzertje in jou.’

En hoewel hij het niet zo bedoelde, beschouw ik dat als een groot compliment. Want het geeft precies aan wat ik wil met mijn artikelen: mensen wijzer maken. Ze iets vertellen dat ze nog niet wisten vóórdat ze mijn artikel lazen. En dat lukt het best als ik hen meeneem in mijn gedachtengang, in een logische uiteenzetting van de feiten. Oftewel: als ik een verhaal vertel.

(De kritiek heeft me trouwens wel geleerd: pas op je toon. Verhalend informeren is één, maar word alsjeblieft niet belerend. Dank, collega!)

Allemaal leuk en aardig, maar hoe doe je dat nou, een eigen schrijfstijl ontwikkelen?

Ik denk dat daarvoor in grote lijnen dit nodig is:

1) Beheers de Nederlandse taal

Als je al schrijvend steeds moet nadenken over spelling en grammatica, ben je aan het multi-tasken. En je weet wat ze daar over zeggen. Dat klopt. (Vrouwen ook niet, trouwens.)

2) Schrijf, schrijf, schrijf

Autorijden leer je pas echt als je de weg op gaat. Zo is het ook met schrijven. Doe het veel en vaak. Als je de basis eenmaal onder de knie hebt, kun je gaan experimenteren. Zo kom je er vanzelf achter wat jou het best ligt.

3) Weet verdomd goed waar je het over hebt

Als je de stof niet beheerst, kun je ‘m ook niet goed overbrengen. Lees je daarom helemaal suf voordat je ook maar een letter op papier zet. Ik hark soms 30 pagina’s research bij elkaar voor een artikel van 800 woorden.

4) Bepaal waar je écht over wilt schrijven

Dus niet: bloggen. Dat leidt alleen maar tot het intrappen van open deuren. Wát over bloggen? O, authenticiteit? Maar daar is toch ook alles al over gezegd (kijk maar naar je research)? Wat kun jij daar nog aan toevoegen? Waar zitten jouw lezers op te wachten? Dus: wát over authenticiteit?

5) Gooi alles aan de kant

Research gedaan? Ingelezen? Onderwerp afgebakend? Weg dan met die knipsels. Spiekbriefjes zijn niet toegestaan.

6) Vertel het tegen je oma

Oftewel: begin je tekst te schrijven zoals je een verhaal vertelt. Neem iemand in gedachten tegen wié je het vertelt. Dat kan je oma zijn, die nog niets van het onderwerp weet. Aan jou de schone taak om haar zó bij te praten, dat ze begrijpt waar je het over hebt. Houd in gedachten een gesprek met haar. Waar haakt ze af? Wanneer vraagt ze om meer uitleg? Dat helpt je je verhaal logisch op te bouwen.

Je snapt: ‘oma’ kan ook een collega-advocaat zijn die je wilt verrassen met een nieuwe visie op, pakweg, de rol van het slachtoffer in het strafrecht. In dat geval komt het minder aan op uitleggen en meer op overtuigen. Maar de werkwijze is hetzelfde: voer in gedachten een gesprek met je lezer.

7) Check, check…

Als het goed is, staat er uiteindelijk een verhaal op papier dat je ‘met losse handjes’ hebt geschreven. In feite: met je eigen stem. Nu is het nog zaak om de hele handel kloppend te maken. Pak je research er weer bij. Doet jouw tekst recht aan de feiten? Ben je – binnen de kaders van je onderwerp – dingen vergeten? Zie je punten waarop je verhaal onderuit kan worden gehaald?

En dan nog een technisch controlerondje: is je tekst inderdaad logisch opgebouwd? Zitten er taal- of tikfouten in? En (probeer afstand te nemen) is het allemaal zó lekker opgeschreven, dat ‘oma’ tot de laatste zin doorleest?

8) … and double check

Gefeliciteerd. Je hebt nu een tekst gecomponeerd die in beginsel van jou is. Maar laat er alsjeblieft een kritische tegenlezer op los. Iemand die even oma speelt. Is je tekst te begrijpen? Waar roept ‘ie nog vragen op? Zijn er dingen die storen? Wil ‘oma’ ‘m inderdaad uitlezen, of is ze halverwege eigenlijk al afgehaakt?

Waarom dat ‘in beginsel’ in het laatste punt van dit lijstje? Je begrijpt dat de crux zit in punt 6. Daar bepaal je niet alleen tegen wié je je verhaal vertelt, maar ook hóe.

De ene oma is tenslotte de andere niet.

Ze mag dan nog niets over jouw onderwerp weten, het maakt heel wat uit of ze:

  • hoog of laag is opgeleid
  • een beetje met haar tijd meegaat
  • op opa afgaat of haar eigen beslissingen neemt
  • rustig zit, of jouw schrijfsel leest terwijl ze skypt met een verre vriendin
  • zelf iets opschiet met wat jij vertelt

Dat heeft allemaal invloed op de toon en taal van je verhaal. Probeer erop te letten, maar wees niet te streng voor jezelf. Schrijf vooral voor je lezer. Hoe meer ervaring je krijgt, hoe meer je die lezer kunt verfijnen – en dus de manier waarop je hem aanspreekt. Daarom punt 2 nog eens in de herhaling: schrijf, schrijf, schrijf.

 

Jolenta Weijers is journalist en contentstrateeg